Begrippenlijst
Korte definities van termen die op deze site terugkomen. Het begrip is het begin. De voorwaarden staan in de gekoppelde uitleg.
A
Aflossing
Het deel van een betaling waarmee u de schuld zelf verlaagt, los van de rente.
Aflossingsvrije hypotheek
Een hypotheek waarop u tijdens de looptijd niet aflost en alleen rente betaalt.
Annuïteitenhypotheek
Een hypotheek met een gelijkblijvende bruto maandlast zolang de rente niet wijzigt.
AOW
De Algemene Ouderdomswet: een basispensioen dat de Sociale Verzekeringsbank uitvoert.
B
BKR
Stichting Bureau Krediet Registratie, die kredieten van deelnemende aanbieders registreert.
Box 1
Het deel van de inkomstenbelasting over inkomen uit werk en woning.
Box 3
Het deel van de inkomstenbelasting over inkomen uit vermogen, zoals sparen en beleggen.
Bruto-inkomen
U inkomen vóór aftrek van loonheffing, premies en andere inhoudingen.
D
Deposito
Een bedrag dat u voor een afgesproken tijd vastzet tegen een afgesproken rente.
Depositogarantiestelsel
De bescherming van tegoeden als een bank omvalt, in Nederland uitgevoerd door DNB.
Dekkingsgraad
De verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en de pensioenverplichtingen.
E
Effectieve rente
De rente op jaarbasis waarin is verwerkt hoe vaak de rente binnen het jaar wordt bijgeschreven.
Eigen risico
Het bedrag dat u zelf betaalt voordat een verzekering de rest van een gedekte schade of zorg vergoedt.
ETF
Een beursgenoteerd fonds. De letters staan voor exchange-traded fund.
H
Hypotheekrenteaftrek
De aftrek van rente over een eigenwoningschuld in box 1, als de lening aan de voorwaarden voldoet.
J
Jaarruimte
De fiscale ruimte om in een jaar aftrekbare lijfrentepremie te storten.
Jaarlijks kostenpercentage
Een percentage dat de prijs van een krediet uitdrukt, inclusief verplichte kredietkosten, op jaarbasis.
L
Lijfrente
Een recht op periodieke uitkeringen, vaak opgebouwd met fiscaal begeleide stortingen.
Lineaire hypotheek
Een hypotheek waarbij uw elke maand hetzelfde bedrag aflost.
Looptijd
De afgesproken periode waarin een lening, deposito of verzekering loopt.
N
Nationale Hypotheek Garantie
Een borgstelling voor hypotheken die aan de NHG-voorwaarden voldoen.
O
Overdrachtsbelasting
Belasting die u betaalt bij de verkrijging van een onroerende zaak, zoals een woning.
P
Pensioengevend salaris
Het deel van het salaris waarover pensioen wordt opgebouwd in een werkgeversregeling.
Premie
Het bedrag dat u betaalt voor een verzekering of voor deelname aan een pensioenregeling.
R
Rendement
Het resultaat van een belegging of spaarsaldo, meestal uitgedrukt als percentage.
Rentevaste periode
De periode waarin de rente van een lening niet wijzigt.
Restschuld
Het deel van de lening dat overblijft als de verkoopopbrengst of de slottermijn de schuld niet dekt.
T
Toetsrente
De rente waarmee wordt getoetst hoeveel hypotheeklast u volgens de leennormen kunt dragen.
V
Valutakosten
Kosten of een koersopslag wanneer een bedrag van de ene valuta naar de andere wordt omgewisseld.
Vermogensbelasting
De gebruikelijke naam voor de heffing over inkomen uit vermogen in box 3.
Z
Zorgtoeslag
Een toeslag als tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering, afhankelijk van inkomen en vermogen.